Hier wil ik een boek behandelen welke geschreven is door Jan Foudraine, getiteld “Wie is van hout…, een gang door de psychiatrie

De schrijver

Allereerst iets over de schrijver. Jan Foudraine beschrijft allereerst zijn eigen ervaringen tijdens zijn vorming tot psychiater. In 1929 geboren, studeerde hij van 1946 tot 1953 medicijnen in Leiden. Hij specialiseerde zich van 1955 tot 1960 in Leiden en Amsterdam in de psychiatrie. Daarna vertrok hij naar Amerika, waar hij 4,5 jaar in één van de meest progressieve psychiatrische centra werkzaam is geweest. Na zijn terugkeer in Nederland was hij gedurende 2,5 jaar chef de clinique van het psychotherapeutisch centrum Stichting Veluweland.

Het boek

Dit boek is niet alleen bestemd voor zijn vakgenoten, de psychiaters, maar ook voor de leken. Zoals hij het zelf zegt:” Zo wordt dit boek deels verhaal, deels persoonlijke getuige en deels wetenschappelijk werk. Een onmogelijke combinatie, maar ik wil me er toch aan wagen.”
  Zoals de subtitel het al zegt, biedt hij een kijk op de psychiatrie. Zijn kritiek op de psychiatrie is niet mals.
  De psychiatrie van 1971 (en nu nog steeds, Madzjan) is medische psychiatrie. Medici benoemen mensen met woorden als “neurotisch”, “psychotisch”, “schizofreen”, “psychopatisch”, “manisch-depressief”.
  Dit beschouwen ze allemaal als ziekten en vervolgens worden de mensen behandeld met insulinekuren, elektroshocks en pillen. De schrijver gelooft niet in deze benadering. Deze benadering staat een ontmoeting met de mens in de weg. De schrijver gebruikte psycho-analyse in zijn praktijk en hij beschrijft in zijn boek de geschiedenissen van een aantal patiënten. Het verhaal van Walter, Jaap en Claire.

“ De ervaring bevestigde in mij het gevoel, dat, ondanks alle respect dat in de klinische psychiatrie werd getoond voor psychoanalytische en psychologische beschouwingswijzen deze psychiatrie toch werd beheerst door een fundamenteel uitgangspunt: lichamelijke ziekte.
  Het schizofrene proces werd inderdaad gezien als een mysterieuze ziekte, de begrippen endogeen en degeneratieve constitutie (met deze kreten wordt nu nog veel gewerkt, J.F!) waren niet zo maar woorden, maar werden inderdaad gebruikt als verwezen zij naar tastbare realiteiten. Als zouden deze zijn aangetoond en experimenteel bevestigd. Ook aan het begrip erfelijkheid werd voor die toestanden, die als manisch-depressief en schizofreen beschreven werden, klaarblijkelijk een zeer reële betekenis toegekend.
Dit fundamenteel organisch uitgangspunt maakte mij langzamerhand duidelijk, waarom er zo weinig sprake was van werkelijk geëngageerde ontmoetingen met psychotische mensen (pag. 29)
.”
  De schrijver komt tot de conclusie:” Psychiatrie en neurologie hoorden naar mijn mening niet bij elkaar. Geleidelijk – sinds 1956 – werd ik overtuigd dat dit een soort monsterverbond was, historisch gegroeid maar logisch niet verenigbaar (pag. 37).”

Dit boek is uitgegeven in 1971. Toen was ik 3 jaar oud. En er is nog steeds geen reet veranderd in de psychiatrie. Schizofrenie wordt als een hersenziekte beschouwd welke behandeld wordt met pillen. De precieze oorzaak is nog niet bekend, wordt ons verteld. Ik vind dit een schandalige toestand. Maar ik ga verder met mijn verhaal.

Schizofrenie een hersenziekte?

Hoe beschouwt de schrijver schizofrenie dan wel als hij het geen hersenziekte vindt?

“ Al deze psychoanalytisch gevormde psychotherapeuten (dit zijn: Schulz-Hecke, Christian Muller, Benedetti, Racamier, Winkler, Harry Stack Sullivan en Frieda Fromm-Reichmann) waren door hun werk overtuigd geraakt dat wat men psychotisch of schizofreen gedrag noemt, de uitkomst is van een levensgang die aanvangt in een gezin vol spanningen en verwarrende, psychisch verwondende wisselwerkingen tussen kind en ouders. Een levensgang die indien het individu al komt tot losmaking uit de gezinsstructuur, wordt gekenmerkt door een voortdurend falen in relatievorming tot de medemens, falen in taakvervulling en een diepgaand onvermogen tot voldoen aan rolverwachtingen (man, vrouw, vader, moeder) binnen onze cultuur. Deze psychotherapeuten beschreven het isolement, het overwegen van fantasie boven op de werkelijkheid gerichte actie, de diepe twijfel over eigen geslachtelijke identiteit, de agressieproblematiek en zoveel meer. Zij benadrukken het al te menselijke, wezen op de vaak onleefbare situaties in het gezin en rapporteerden hun psychotherapeutische werk als mogelijk (ofschoon moeilijk en langdurig) en het zeer positieve resultaat van hun hulpverlening, waarmee zij de hypothese van de procesmatige ziekte en de erfelijkheid gaandeweg van de hand wezen. Ik kom hier nog uitgebreid op terug (pag. 26).”

Mensen die lijden aan ‘schizofrenie’ zijn volgens hem mensen met levensmoeilijkheden. Vandaar dat hij zijn therapeutisch proces patiënten aanspreekt met leerlingen en het therapeutisch centrum als leerschool.

De schrijver is van mening dat de neurologie (=leer der zenuwen en zenuwziekten) niet thuishoort in de psychiatrie. Dat medici niet thuishoren in de psychiatrie. Dat de psychiatrie teruggegeven moet worden aan de sociaal-psychologen, de psychologen, en de psychoanalytici.
  Verder is hij van mening dat de huidige psychiatrische inrichtingen niet te hervormen zijn, en dat er gezocht moet worden naar alternatieve instituten. Een andere conclusie waar de schrijver toe komt is dat er een geheel andere opleiding moet komen voor de psychiaters omdat de opleiding doortrokken is van het medisch jargon en medisch denken.

Een boek als deze zet je aan het denken. Een psychiater die zijn eigen vakgebied stevig bekritiseert. Ik kan het boek een ieder aanbevelen. Het boek sluit aan bij mijn eigen opvattingen. Ter afsluiting wijs ik op een aantal punten.

Kritiek

Allereerst op deze passage:

“ De psychotherapeut grijpt actief in, hij dringt zich met de kracht van zijn persoonlijke inzet op aan zijn cliënt, aanvaardt geen echec van de communicatie en toont zo aan een medemens een presentie van een nimmer ervaren dichtheid, eerlijkheid, begrip en warmte (pag. 110).”

Dit is wat een psychotherapeut naar mijn mening niet dient te doen. Aanwezigheid ja, maar opdringen, nee. Een patiënt zal zich dan instinctief onttrekken aan elke behandeling.

Een tweede vorm van kritiek betreft hetvolgende: Jan Foudraine, de schrijver, is duidelijk een kind van zijn tijd. Zijn kritiek op het bureaucratisch systeem van de inrichtingen en zijn pogingen en oproepen om iets aan HET BUREAUCRATISCH SYSTEEM en de samenleving in zijn algemeenheid te veranderen, passen duidelijk in de zestig en zeventiger jaren toen die kritiek geuit werd tegen alle organisaties. Organisaties zouden onpersoonlijkheid tussen mensen in de hand werken en dientengevolge de ontwikkeling van de mens belemmeren. Zijn kritiek op de organisaties is niet gedateerd maar is in mijn ogen niet zo belangrijk als de schrijver vindt.
Iets anders is naar mijn mening veel belangrijker.

Als de psychiatrie resultaten wil bereiken met patiënten, dan zal zij gebruik moeten maken van de innerlijke kracht van de patiënten zelf. De psychiatrie wil de patiënten behandelen. De term “behandeling” houdt in dat de psychiaters het zelf beter weten. Nou, dat weten zij niet. Iemand die vijftig jaar oud is, leert nog elke dag. Van het leven en de mensen om hem heen. En zij moeten de patiënten behandelen? Als men onderkent dat zelfs de meest doorgewinterde psychologen nog steeds leren, dan, wat een wonder, wordt een ontmoeting tussen twee mensen mogelijk.

Dan het laatste punt. De laatste zinnen uit zijn boek luiden als volgt:
“ Wat mij het meest bezig blijft houden is de vraag waarom wij niet inzien, dat zij die psychotisch of schizofreen genoemd worden ons het meest kunnen leren over de condition humaine. Waarom wij zo weinig bereid zijn geweest juist naar hen te luisteren.
Ik hoop dat wij dat in ieder geval gaan doen.”

Welnu, ik hoop dat de lezers luisteren. Geen mens kan zonder liefde leven. En elk mens beschikt over een kracht in hemzelf die hij vaak slechts ten dele kent en die hem door moeilijke tijden heen zal kunnen loodsen. Maar liefde (en vooral eigenliefde) is het belangrijkste.
  Gezien het feit dat er in de psychiatrie nog niets veranderd is, blijkt dat dit boek niet de waardering heeft gekregen welke het verdient. Verbazingwekkend. Maar ik zeg tegen een ieder die iets wil weten over psychoses, schizofrenie en schizoïditeit: LEES DIT BOEK.

Neurologie is necrologie

Ik heb het voorheen gehad over het wetenschapssyndroom. Alles wat niet onder een microscoop gelegd kan worden en dus niet bewezen kan worden, bestaat niet. Deze vorm van denken heeft zijn roots. Ik wil allereerst teruggaan naar de oorsprong van dit denken.
De oorsprong van dit denken ligt bij de Franse filosoof Descartes (1596-1650). Cogito ergo sum. Ik denk dus ik besta. Het denken, de geestelijke substantie noemde hij: res cogitans. Alles wat niet res cogitans is, is res extensa. Alles wat daarbuiten ligt.
Dit soort denken was een revolutie. Het haalde de mens weg uit het middeleeuws denken over God en de wereld. De mens kon zelfstandig nadenken. Nadenken over de materie. Dit maakte de weg vrij voor Newton en zijn natuurwetten. Maar ook voor de medici. Het lichaam, dat onderdeel uitmaakte van de res extensa, kon op wetenschappelijke manier bestudeerd worden. Het bestaan van bacteriën en virussen werd ontdekt en wat daartegen gedaan kon worden. Het resultaat is dat talloze ziekten nu behandeld kunnen worden.
Er is echter één maar. Hoe moet de verhouding gezien worden tussen geest, res cogitans en het lichaam dat onderdeel uitmaakt van res extensa. Dit is een filosofisch probleem geworden waar men tot op de dag van vandaag over twist en ruziet. Een filosoof legde al spottend de vinger op de zere plek met de woorden: de mens in de machine.
Een tak van de geneeskunde welke het menselijk lichaam en in dit geval het menselijk zenuwstelsel objectief bestudeerd heeft is de neurologie. Schizofrenie is neurologisch bestudeerd. Hersenen zijn onder een microscoop gelegd en in plakjes gesneden. Met behulp van apparatuur heeft men een verhoogde werking van bepaalde hersenfuncties gemeten bij schizofrene patiënten die leden aan hallucinaties.
  Wat men niet gedaan heeft, is het menselijk zenuwstelsel in optima forma bestudeerd. Waarom niet? Dit is aan de andere kant van onze aardbol wel degelijk gebeurd. Alleen niet door de medische wetenschap. In het verre oosten kijkt men anders tegen de verhouding tussen geest en lichaam aan. Geest en lichaam zijn één. En telkens weer komt hetzelfde symbool terug. Twee slangen cirkelend rond een staf. De slangen zijn symbolen welke staan voor de levenskracht. De slang vervelt en leeft verder. Zo sterven mensen maar het leven leeft voort in andere mensen. In ons land heeft de slang als symbool niet zo’n prominente rol gespeeld. Maar wij kennen het symbool wel degelijk. In Nederland zei men vroeger: de zee geeft en de zee neemt. Vrouwen verliezen hun mannen en hun zonen aan de zee maar het leven gaat verder.
  Zoals gezegd, heel het verre oosten kent dit symbool. Ik zal dit symbool toelichten aan de hand van de yoga-leer over chakra’s. Yoga komt uit India en heeft tot doel het bereiken van spirituele verlichting. Daarvoor trainde men lichaam en geest. Yogi bereikten en bereiken nog steeds een beheersing van hun lichaam door middel van hun geest welke in het Westen ongekend is. De yogi stuiten in hun zoektocht naar spirituele verlichting op een aantal wetmatigheden. Ik zal ter informatie een stuk tekst aanhalen uit het boek “Over chakra’s” van Peter Rendel.
   “ In de occulte anatomie van de mens zijn er dus twee energiestromen aan de rechter en linkerzijde en die zijn positief en negatief. Deze positieve en negatieve energiestromen schijnen elkaar te kruisen op knooppunten tussen de chakra’s. Zo wordt het patroon van Caduceus of de staf van Hermes gevormd. In hindoeterminologie heet dit de meru danda.” Ik verwijs de lezer naar dit boek. Ik zal tot slot nog een tekst uit het boek aanhalen.
Pag. 29:” Er is nog een faktor van enorme betekenis in het menselijk systeem. Dit is de derde kracht, bekend als sushumna in de hindoeterminologie. De positieve en negatieve stromen worden respectievelijk Pingala en Ida genoemd. Alle manifestaties doen een polariteit ontstaan zoals we al eerder zagen. Wanneer de positieve en negatieve krachten van deze polariteit in evenwicht komen, houdt de manifestatie op. Deze derde kracht wordt de middelste pijler genoemd in de kabbalistische (= joodse) terminologie. Het is het kanaal in het centrum van de ruggegraat, waardoorheen de energieën stromen alleen wanneer de twee andere krachten in evenwicht zijn. We zullen later de praktische toepassing van dit principe nader bezien.”

  De staf met de twee slangen is, hoe opmerkelijk, ook het symbool voor de medische stand. Maar men heeft klaarblijkelijk vergeten wat de betekenis van dit symbool is. Het symbool staat voor evenwicht en harmonie. Evenwicht tussen voelen en willen. Evenwicht tussen denken, hart en guts. Dit is een holistische benadering van de mens. En dat is het symbool van de medische wetenschap. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling hier op een filosofische manier over na te denken. De vraag is simpelweg. Hoe dit evenwicht te bereiken?
  Hierin kan ik uit eigen ervaring spreken. Ik kan het ook zelf onder woorden brengen maar ik laat de schrijver Bruno-Paul de Roeck aan het woord die precies hetzelfde zegt wat ik wil zeggen maar dan op zijn eigen humorvolle manier:

Bruno-Paul de Roeck, De Zotte Kraai

Zeventien jaar had hij nodig, om zo goed en kwaad als het ging, van binnen zijn eigen kloosterke te bouwen. Een soort tweede huis waarop – volgens het internationale handvest van de rechten van de mens – iedere burger aanspraak kan maken. Maar na zeventien jaar was hij klaar en moest hij uit het stenen klooster weg. Zijn vlezen mini-kloosterke smokkelde hij onder zijn hemd mee naar buiten als een kostbaar bezit. Goed verstopt. Ieverans in de streek tussen zijn longen en het putteken van zijnen buik. Daarin waren er een paar stille kamers, een overdekte pand gang en een hofken waar veel bloemen staan daarin zo wil ik plukken gaan ’t is wel gedaan.
Daar was het altijd stil. Op een manier dat hij er tegelijkertijd bang en gelukkig van werd. Hij was er onhoorbaar en onzichtbaar voor de broeders, de zusters en de andere gevaarlijke diersoorten die langs hem voorbijkwamen.
Daar kon hij asemen vanuit zijn hart. Vandaaruit kon hij achter de moeraslichten van idealen aan of dwaalde hij rond in het bos van zijn gedachtenbouwsels, zodat hij niet meer wist wie of waar hij was. Of hij dook in de nevels van sombere fantasieën tot hij geen centimer voor zich uit zag. Of hij probeerde in te wonen in andermans klooster …….. wat altijd verkeerd uitpakte.

(Bruno-Paul de Roeck, De Zotte Kraai, De Toorts, Haarlem, 1986, pag. 54 en 55)

Tot slot

Naar mijn mening is dit een boek dat door een ieder die iets meer wil weten over schizofrenie in het bijzonder en de psychiatrie in het algemeen zou moeten lezen.